zwollen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zwol·len
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zwellen |
zwollen
- meervoud verleden tijd van zwellen
- Wij zwollen.
- Jullie zwollen.
- Zij zwollen.
- Wij zwollen.
| vervoeging van |
|---|
| zwellen |
zwollen