winkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van winkel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
winkelen
winkelde
gewinkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

winkelen

  1. van winkel tot winkel gaan en inkopen doen
    Ze winkelden de hele middag en kwamen voldaan en beladen met allerlei nieuwe kleren weer thuis.