winkelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- win·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| winkelen |
winkelde |
gewinkeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
winkelen
- van winkel tot winkel gaan en inkopen doen
- Ze winkelden de hele middag en kwamen voldaan en beladen met allerlei nieuwe kleren weer thuis.