wervelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wer·ve·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wervelen |
wervelde |
gewerveld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wervelen
- (ergatief) zich al draaiend ergens heen bewegen
- De waterhoos was over het meer gewerveld.
- (ergatief) overdrachtelijk: zich snel voortbewegen
- De dansers wervelden over het toneel.
- (inergatief) een draaiende beweging maken
- Bij het opengaan van de sluisdeur had het water heftig gewerveld.