voedden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- voed·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| voeden |
voedden
- meervoud verleden tijd van voeden
- Wij voedden.
- Jullie voedden.
- Zij voedden.
- Wij voedden.
| vervoeging van |
|---|
| voeden |
voedden