viezerik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vie·ze·rik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van vies met het achtervoegsel -erik.
enkelvoud meervoud
naamwoord viezerik viezeriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

viezerik m

  1. (pejoratief) onhygiënisch, vies persoon
    Ik ben geen viezerik die de hele week in dezelfde kleren loopt.
  2. (pejoratief) onzedelijk persoon
    De oude viezerik staat stiekem te gluren.
Synoniemen