viezerik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vie·ze·rik
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | viezerik | viezeriken |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
viezerik m
- (pejoratief) onhygiënisch, vies persoon
- Ik ben geen viezerik die de hele week in dezelfde kleren loopt.
- (pejoratief) onzedelijk persoon
- De oude viezerik staat stiekem te gluren.