soutpiel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord soutpiel soutpiele
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van sout en piel: het ene been in het ene land, het andere in het andere en het geslachtsdeel in het zilte nat van de oceaan ertussen.

Zelfstandig naamwoord

soutpiel

  1. (scheldwoord) scheldwoord voor een Brit die slechts zekere tijd in Zuid-Afrika blijft
    «Baie Afrikaners het soutpiele geword en soek hulle tuiste oorsee.»
    Veel Afrikaners zijn "zoutpielen" geworden en zoeken hun tehuis overzee.