sidderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sid·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sidderen |
sidderde |
gesidderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
sidderen
- (inergatief) van angst beven
- De weerloze mensen sidderden toen zij de woestelingen op zich af zagen komen.