pril

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pril
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pril priller prilst
verbogen prille prillere prilste
partitief prils prillers -

Bijvoeglijk naamwoord

pril

  1. gloednieuw, zijn debuut makend, kwetsbaar, onschuldig
    Dit was het prilste begin van de lente, aangekondigd door de eerste sneeuwklokjes die hun kopjes boven de sneeuw uitstaken.