opschenkt

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·schenkt

Werkwoord

vervoeging van
opschenken

opschenkt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opschenken
    • ... dat jij opschenkt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opschenken
    • ... dat hij opschenkt.