omwonden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·won·den

Werkwoord

vervoeging van
omwinden

omwónden

  1. meervoud verleden tijd van omwinden
    Wij omwónden.
    Jullie omwónden.
    Zij omwónden.
  2. voltooid deelwoord van omwinden
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
omwinden

ómwonden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van omwinden
    ...dat wij ómwonden.
    ...dat jullie ómwonden.
    ...dat zij ómwonden.
Afgeleide begrippen