ombrachten
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- om·brach·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ombrengen |
ombrachten
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van ombrengen
- ...dat wij ombrachten.
- ...dat jullie ombrachten.
- ...dat zij ombrachten.
- ...dat wij ombrachten.