meed
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- meed
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| mijden |
meed
- enkelvoud verleden tijd van mijden
- Ik meed.
- Jij meed.
- Hij, zij, het meed.
- Ik meed.
| vervoeging van |
|---|
| mijden |
meed