loeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loeren
loerde
geloerd
zwak -d volledig

Werkwoord

loeren

  1. (inergatief) ~ naar intensief kijken, vaak met kwade bedoeling
    Die vent zat alsmaar naar mij te loeren.
  2. (inergatief) ~ op een kans afwachten iemand te verschalken
    Die havik loert op de broedvogels van de kolonie.