duelleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- du·el·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| duelleren |
duelleerde |
geduelleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
duelleren
- (inergatief) een tweegevecht houden
- Zij duelleerden bij het krieken van de dageraad.