dissociëren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dis·so·cië·ren, dissoci·eren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dissociëren |
dissocieerde |
gedissocieerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
dissociëren
- (ergatief) in kleinere delen uiteenvallen
- Bij oplossing in water dissociëren zwakke zuren maar gedeeltelijk.