discipel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dis·ci·pel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | discipel | discipelen |
| verkleinwoord | (discipeltje) | (discipeltjes) |
Zelfstandig naamwoord
discipel m
- (Bijbels) een leerling van een geestelijk leidsman
- Jezus verkreeg een aantal van zijn discipelen aan het meer van Tiberias.