blaakten
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- blaak·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| blaken |
blaakten
- meervoud verleden tijd van blaken
- Wij blaakten.
- Jullie blaakten.
- Zij blaakten.
- Wij blaakten.
| vervoeging van |
|---|
| blaken |
blaakten