bestijgen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| bestijgen | bestijgend |
| bestijging | bestegen |
Woordafbreking
- be·stij·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bestijgen |
besteeg |
bestegen |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
bestijgen
- (overgankelijk) bovenop iets zien te geraken
- Deze berg werd pas in de jaren vijftig voor het eerst bestegen.
- de troon ~ vorst of vorstin worden
- paarden etc. de geslachtsdaad uitvoeren