bekorten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kor·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van kort met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekorten
bekortte
bekort
zwak -t volledig

Werkwoord

bekorten

  1. (overgankelijk) de tijdsduur minder lang laten zijn
    Hij wilde graag zijn reistijd bekorten door een andere route te kiezen.
Vertalingen