bekorten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·kor·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekorten |
bekortte |
bekort |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bekorten
- (overgankelijk) de tijdsduur minder lang laten zijn
- Hij wilde graag zijn reistijd bekorten door een andere route te kiezen.