begunstigde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gun·stig·de

Werkwoord

vervoeging van
begunstigen

begunstigde

  1. enkelvoud verleden tijd van begunstigen
    Ik begunstigde.
    Jij begunstigde.
    Hij, zij, het begunstigde.