arriveer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ri·veer

Werkwoord

vervoeging van
arriveren

arriveer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arriveren
    Ik arriveer.
  2. gebiedende wijs van arriveren
    Arriveer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arriveren
    Arriveer je?