afwachtten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɑfʋɑχtə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈɑfʋɑxtə(n)/
Woordafbreking
- af·wacht·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afwachten |
afwachtten
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afwachten
- ...dat wij afwachtten.
- ...dat jullie afwachtten.
- ...dat zij afwachtten.
- Zij waren niet de enigen die de uitslag afwachtten.
- ...dat wij afwachtten.