afwacht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wacht

Werkwoord

vervoeging van
afwachten

afwacht

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwachten
    ... dat ik afwacht.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwachten
    ... dat jij afwacht.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwachten
    ... dat hij afwacht.