fikkie

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • fik·kie
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord fikkie fikkies

Zelfstandig naamwoord

fikkie o dim. tant.

  1. hondje, meestal van een vuilnisbakkenras.
    Geef mijn portie maar aan fikkie. - Ik moet er niets van hebben.
Persoonlijke instellingen