zwoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwoel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘benauwd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1611[1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zwoel zwoeler zwoelst
verbogen zwoele zwoelere zwoelste
partitief zwoels zwoelers -

Bijvoeglijk naamwoord

zwoel

  1. vochtig warm, drukkend, benauwd
    • Hij las een boek op een zwoele zomeravond. 
  2. zinnelijk, erotisch, sensueel
    • Eén zwoele blik was genoeg voor hem. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen