zwirrelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwir·re·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwirrelen
zwirrelde
gezwirreld
zwak -d volledig

Werkwoord

zwirrelen

  1. inergatief fladderend dwarrelen
    • De gewonde stormvogels bleven zwirrelen boven zijn lakenen terwijl hun aanklepperend vlerkengeruisch hem telkens deed gillen en schreeuwen van afgrijzen.[1] 

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
11 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. De Oude Waereld. Querido
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be