zwik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwik
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘houten pen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zwik zwikken
verkleinwoord zwikje zwikjes

Zelfstandig naamwoord

zwik m

  1. informeel aanzienlijke hoeveelheid
    • een zwik artikelen 
  2. vnl. verkleinwoord spullen, mikmak, zooitje
    • Neem dat hele zwikje maar weer mee. 
  3. (kuiperij) een houten pin waarmee een zwikgat afgedicht kan worden
  4. het zwikken (van een lichaamsdeel)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwikken

zwik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwikken
    • Ik zwik. 
  2. gebiedende wijs van zwikken
    • Zwik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwikken
    • Zwik je? 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen