zwichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwich·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwichten
zwichtte
gezwicht
zwak -t volledig

Werkwoord

zwichten

  1. (ergatief) toegeven, wijken; het moeten afleggen
    De vijand zwichtte onder de druk van de onverwachte hevige aanval.
  2. (overgankelijk), (molenaarsambacht) het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte
    Bij sterkere wind moet je de molen zwichten door zeil te minderen, bij zwakkere wind juist meer zeil spannen.
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

zwichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zwicht