zweterig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwe·te·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zweterig zweteriger zweterigst
verbogen zweterige zweterigere zweterigste
partitief zweterigs zweterigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zweterig

  1. klam of vochtig van zweet
    • De voetballers waren na de wedstrijd erg zweterig. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.