zwendelarij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwen·de·la·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwendelarij zwendelarijen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zwendelarij v

  1. zwendel, bedrog, oplichterij

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be