zwelgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwel·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich te buiten gaan aan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.[1]
  • (erfwoord): Middelnederlands swelghen ‘gulzig opeten of -drinken; doorslikken’, uit Oergermaans *swelgan- ‘zwelgen, verslinden’. Evenals Duits schwelgen ‘zich te buiten gaan aan; (vero.) zwelgen’, Fries swolgje ‘zwelgen’ en Engels swallow ‘doorslikken’.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwelgen
/zʋɛlɣə(n)/
zwolg
/zʋɔlx/
gezwolgen
/ɣə'zʋɔlɣə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

zwelgen

  1. gulzig, onmatig opeten of -drinken
    • Zij stak uit de mouw van haar witten japon een blanken arm tusschen de wazige, blauwe trossen en plukte, en plukte meer. En het was een gulzigheid, in de druiven zwolgen zij. - Louis Couperus. 
  2. zich onmatig verlustigen, zich te buiten gaan aan
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen