zweem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zweem
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vleugje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1773 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zweem zwemen
verkleinwoord zweempje zweempjes

Zelfstandig naamwoord

zweem m

  1. spoor.
    • Er was geen zweem van berouw te herkennen. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwemen

zweem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
    • Ik zweem. 
  2. gebiedende wijs van zwemen
    • Zweem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
    • Zweem je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen