zwatelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwa·tel·de

Werkwoord

vervoeging van
zwatelen

zwatelde

  1. enkelvoud verleden tijd van zwatelen
    • Ik zwatelde. 
    • Jij zwatelde. 
    • Hij, zij, het zwatelde.