zwalkend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwal·kend

Werkwoord

vervoeging van: zwalken
verbogen vorm: zwalkende

zwalkend

  1. onvoltooid deelwoord van zwalken
  2. (scheepvaart) ronddolend, zich doelloos op zee voortbewegend, ronddobberend (op een schip)
     Zwalkend op de groene baren,
    Weten wy van zorg noch pijn:
    En by bier en brandewijn
    Tarten wy de zeegevaren.
    [1]
  3. (figuurlijk) doelloos, zonder vooropgezet plan voortgaand, voortbewegend
     Een halve eeuw zwalkend drugsbeleid in Nederland gaf ruimte aan een nieuwe generatie cocaïnebaronnen. Hoe kon Taghi zó groot worden?[2]
     Bij het Jesse-bashen, noteert Ton den Boom in zijn taalrubriek in Trouw, vielen nogal wat woorden uit het zelfde woordveld: 'gedraai', 'zwalkend optreden', 'onverwachte wending', 'draai', 'gezwabber'. Klaver werd, kortom, wispelturig gevonden. En: 'Wie wispelturig heet te zijn, is niet geschikt als bedrijfspoedel van Rutte.'[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Avondstond aan boord. in: Jacob van Lennep Zeemansliedtjens (1852), Gebroeders Kraay, Amsterdam, p. 28 op dbnl.org op Wikipedia
  2. Bronlink Weblink bron Jan Meeus “Hoe 50 jaar war on drugs de generatie-Taghi voortbracht” (19 maart 2021), NRC
  3. Bronlink Weblink bron Marjolijn de Cocq “Zit de Jessias straks met zijn lekkere kontje in de Kamer” (16 juni 2017), Het Parool