zwalken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwal·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ronddolen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwalken
zwalkte
gezwalkt
zwak -t volledig

Werkwoord

zwalken

  1. inergatief doelloos en ongecontroleerd zich voortbewegen
    • De dronken zwerver zwalkte over de weg. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Verwijzingen