zwadder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwad·der
enkelvoud meervoud
naamwoord zwadder zwadders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zwadder m

  1. spog van een slang, gespuwd gif
  2. slijm van een aal
  3. venijnige laster

Werkwoord

vervoeging van
zwadderen

zwadder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwadderen
    Ik zwadder.
  2. gebiedende wijs van zwadderen
    Zwadder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwadderen
    Zwadder je?

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders
39 % van de Vlamingen.