zwaarmoedigheid
Uiterlijk
- zwaar·moe·dig·heid
- afgeleid van zwaarmoedig met het achtervoegsel -heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwaarmoedigheid | zwaarmoedigheden |
| verkleinwoord | zwaarmoedigheidje | zwaarmoedigheidjes |
de zwaarmoedigheid v
- (psychologie) het zwaarmoedig zijn, de mate waarin iets of iemand zwaarmoedig is
- ▸ Hij had daarentegen een zekere aanleg voor depressies die samenhingen met slecht weer, en aangezien het nu al tien dagen bijna onafgebroken regende, had de zwaarmoedigheid aardig vat op hem gekregen.[2]
- Het woord zwaarmoedigheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Winkler Prins, A; Henri Zondervan (1915). Winkler Prins' geïllustreerde encyclopaedie, deel 2, p. 94. Uitg.: Elsevier.
- ↑ Håkan Nesser“Het grofmazige net” (2001), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044524048