zuurheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zuur·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zuurheid zuurheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zuurheid v [1]

  1. de hoeveelheid base die door een vloeistof kan worden geneutraliseerd
  2. van een persoon dat deze boos en verbitterd is
    • De aankondiging van het prinselijk huwelijk veroorzaakte meteen een opstoot van positivisme in de Britse media, iets wat in deze dagen van economische malaise en Brexit-zorgen steeds zeldzamer wordt. Al waren op de lezersfora van de tabloids ook opstootjes van zuurheid te lezen. [2] 
    • Zuurheid is een deel van het leven op sociale media, maar vrijdag vlogen de haatboodschappen ons om de oren. [3] 
    • We mogen hopen op de volledige openbaring van Gods waarheid over deze wereld en over ons eigen hart. Die hoop overwint zowel de zuurheid van het cynisme als de zoetheid van nostalgie. [4] 
  3. een soort frisse smaakgewaarwording (althans als het voedsel niet té zuur is)
    • Het is dus zeker geen makkelijke opgave om een mooi cijfer te behalen. Lidl lukte dit dus wel met hun Crémant de Bourgogne Blanc NV. Volgens de jury is de schuimwijn 'droog maar toch rijk, met een intrigerend aroma van fruit en een goed gedefinieerde zuurheid'. [5] 
    • Deze wijn met krachtige en intense aroma's van citrusvruchten combineert goed met de ronde smaak van zalm en de zuurheid van de groenten en mayonaise. [6] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.


Verwijzingen