zult

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zult
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoofdkaas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1446 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zult
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zult m

  1. een van de kop van het varken vervaardigd gerecht, meestal enigszins zuur
    • Ik hou niet van zure zult. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
zullen

zult

  1. tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van zullen
    • "Je zult", "ge zult" en "u zult" zijn alledrie goed Nederlands. 
vervoeging van
zulten

zult

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zulten
  2. gebiedende wijs van zulten

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen