zuigsnuit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

zweefvlieg met zuigsnuit
Uitspraak
Woordafbreking
  • zuig·snuit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zuigsnuit zuigsnuiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zuigsnuit m [1]

  1. een verlengde structuur op de kop van verscheidene diergroepen
     De beestjes lijken veel op jonge teken, wat voor paniek kan zorgen, zeggen biologen. De wantsen bijten echter niet maar zuigen sappen uit vruchten met hun zuigsnuit.[2]
     Muggen steken niet, maar bijten. De beesten hebben een zogeheten zuigsnuit, waarmee ze bloed kunnen opzuigen.[3]
     Wie straks op muggenjacht gaat, moet eerst even de instructies lezen. Het muggenjagersduo: „Een steekmug is te herkennen aan de vooruitstekende zuigsnuit. Deze ontbreekt bij andere vliegende insecten. We zijn dus specifiek op zoek naar deze prikkers.[4]
Synoniemen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Extreem veel berkenwantsen: stankoverlast in huizen en tenten” (11 aug. 2014), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Roeland Segeren “Na het weekend komen de muggen” (25-06-2017), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron MARK VELDKAMP “Sla plat en stuur op!” (28 aug. 2014), De Telegraaf
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be