zotheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zot·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van zot met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord zotheid zotheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zotheid v [1]

  1. iets wat voortkomt uit een gekke manier van denken, soms vooral als een slechte domheid, soms als iets wat ook wel grappig is
    • Het is de vraag wat Erasmus zelf van het gebruik van zijn naam zou denken. De humanist, bekend van zijn werk Lof der zotheid, was een groot Europeaan, die in het halve continent leefde en navolging vond.[2] 
    • Een experiment waarbij bijstandsgerechtigden in vier steden de ruimte krijgen om, met behoud van uitkering en afdracht van inkomsten, een eigen bedrijf te starten. 'De tafel', vond dat namelijk een zotheid van de hoogste plank, zo lieten ze nog net niet met rollende ogen en verontwaardigd gezucht en gesteun horen. Aardig arrogant en negatief, noemt VROUW-columnist Hester Zitvast het.[3] 
    • Ik neem Plasman niet kwalijk dat hij deze partij heeft opgericht, hij heeft hiermee waarschijnlijk alleen maar de zotheid van ons huidige kiesstelsel willen aantonen. Zijn partij richt zich op de ontevreden groep Nederlanders, die denkt dat het geen zin heeft om te gaan stemmen.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf ROB SAVELBERG 23 dec. 2017
  3. de Telegraaf HESTER ZITVAST 05 jul. 2017
  4. de Telegraaf 27 feb. 2017
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be