zoner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zoner |
zonais |
zoné |
| eerste groep | volledig | |
zoner
- overgankelijk in zones verdelen; zoneren
- onovergankelijk (spreektaal) rondhangen
- «Dans l’quartier, on passe notre temps à zoner.»
- In onze wijk hangen we de hele tijd maar een beetje rond. [1]
- «Dans l’quartier, on passe notre temps à zoner.»