zolen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zolen
zoolde
gezoold
zwak -d volledig

Werkwoord

zolen

  1. het aanbrengen van een zool onder een schoen
    • Deze schoen moet nog gezoold. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zolen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zool

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.