Naar inhoud springen

zoetje

Uit WikiWoordenboek
  • zoet·je
  • afgeleid van  zoet zn  met het achtervoegsel -je
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord (zoet) -
verkleinwoord zoetje zoetjes

hetzoetjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zoet
  2. alleen verkleinwoord dosis kunstmatige zoetstof, meest in de vorm van een klein pilletje
    • Wil je een zoetje voor de koffie of gebruik je suiker? 
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be