zoetelaar
Uiterlijk
- zoe·te·laar
- Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘marketenter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546 [1]
- afgeleid van ?? met het achtervoegsel -aar [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoetelaar | zoetelaars |
| verkleinwoord | zoetelaartje | zoetelaartjes |
de zoetelaar m
- (beroep) iemand die levensmiddelen aan de soldaten van een leger levert
- Maar de zoetelaar is plots verdwenen achter de wagen. Ineens komt hij vanachter de wagen, grijpt de wachter bij de kraag en 't kruis en gooit hem over de slotmuur in de diepe, brede gracht.[3]
- (beroep) een varende detailhandelaar
- [2]: parlevinker
- [1]: marketentster
1. iemand die levensmiddelen aan de soldaten van een leger levert
2. een varende detailhandelaar
- Het woord 'zoetelaar' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zoetelaar" herkend door:
| 36 % | van de Nederlanders; |
| 38 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "zoetelaar" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ zoetelaar op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Een gewiekste zoetelaar; een legende uit Turnhout
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be