zoetekauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoe·te·kauw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘die veel van zoetigheden houdt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618 [1]
  • samenstelling van  zoet  en  kauw ww  met het invoegsel -e- 
enkelvoud meervoud
naamwoord zoetekauw zoetekauwen
verkleinwoord zoetekauwtje zoetekauwtjes

Zelfstandig naamwoord

zoetekauw m

  1. iemand met een grote voorliefde voor zoete waar
    • Oh, die zoetekauw zal dat best lusten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen