zoemde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoem·de

Werkwoord

vervoeging van
zoemen

zoemde

  1. enkelvoud verleden tijd van zoemen
    • Ik zoemde. 
    • Jij zoemde. 
    • Hij, zij, het zoemde.