zoelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zoelen
zoelde
gezoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zoelen

  1. inergatief een modderbad nemen
    • Varkens zoelen graag om zich de insecten van het lijf te houden en de lichaamstemperatuur te regelen. 

Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
11 % van de Vlamingen.

Meer informatie