zoelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoel·de

Werkwoord

vervoeging van
zoelen

zoelde

  1. enkelvoud verleden tijd van zoelen
    • Ik zoelde. 
    • Jij zoelde. 
    • Hij, zij, het zoelde.