zippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zip·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zippen
zipte
gezipt
zwak -t volledig

Werkwoord

zippen

  1. overgankelijk (informatica) een bestand comprimeren
    • Ze hebben dat bestand gezipt en ik kan het niet ontzippen. 
Antoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be